Ralfje is altijd een vreemde eend in de bijt geweest, volgens zijn klasgenootjes. Dirkie had wel eens tegen de meester gezegd dat hij zich een beetje zorgen maakte over Ralfje, want volgens hem keek Ralfje teveel televisie. De meester had dat destijds enigszins afgewimpeld als pertinente onzin maar diep van binnen kon de meester Dirkie niet geheel ongelijk geven. En na vandaag ontkomt de meester er zeker niet meer aan. Het gebeurde vlak na het speelkwartier. Dan ging de klas altijd gymnastieken, zoals de meester dat noemt. Vroeger deden ze dan vooral spelletjes in de gymzaal maar nu was het tijd om eens een echte sport te beoefenen.  Want, zo beredeneerde de meester, de kindertjes waren nu op de leeftijd aan het komen dat ze een hobby moesten gaan zoeken. De kleintjes zaten op de bankjes tegen de muur, zoals ze altijd deden aan het begin van de gymles. De meester had een groot net gespannen, dwars door de gymzaal heen. En toen kwam hij uit het toestelhok met een witte bal. De kleintjes zaten vol spanning te kijken. De meester begon met uitleggen over hoe het de bedoeling was om de bal over het net te spelen en dat die dan bij het andere team op de grond moest vallen, en dan maakte je een punt. En toen ging de meester voordoen hoe je de bal moest opslaan. Toen liep het uit de klauwen. De meester gooide de bal de lucht in en sloeg er vol met zijn vuist tegenaan. Direct vloog Ralfje overeind en sprong bovenop de meester en begon hem te slaan en schoppen alsof zijn pas korte leventje er van af hing. “Neeeee!” Gilde het jochie! “Niet doen!, Laat Wilson met rust!” Een half uurtje later is Ralfje met de auto naar het ziekenhuis gebracht. Door zijn moeder. De volleybal moest mee.

Marja staat te leunen tegen de muur van de kleine en slecht onderhouden binnentuin. Ze staat ietwat ineengezakt. “Ik heb gefaald vandaag.” zegt ze hardop tegen zichzelf. Ze brengt de sigaret weer naar haar mond en neemt een diepe hijs. Ze schrikt van het genot dat ze hieraan beleeft en voelt zich schuldiger dan ze al deed. “Wat als David het ruikt?” vraagt ze aan zichzelf. Marja spreekt altijd hardop tegen zichzelf als ze nadenkt. Tenminste, als er niemand bij is, anders houdt ze zich in. Marja is ruim zes jaar geleden gestopt met roken, mede omdat haar toenmalige echtgenoot dat graag wilde. David, haar huidige man kende haar niet eens als roker. Ze heeft het er onlangs nog met een vriendin over gepraat, over de drang naar het roken die meer en meer terugkwam. Marja’s vriendin dacht dat het door haar nieuwe baan kwam. Nu Marja minister geworden was, stond ze namelijk steevast onder druk én in de publieke belangstelling. Het is ook niet bepaald een leuke tijd om minister te zijn, met al die bezuinigingen. Marja zucht. Ze kijkt naar het pakje sigaretten dat uit haar open handtas steekt. Het is niet eens haar merk. Die hadden ze niet bij de kiosk om de hoek, dus had ze maar een ander merk gekozen. Ze moest roken, kon de drank niet langer uitstellen. Nu de plannen die zij had volledig van tafel waren geveegd door de oppositie kon ze écht niet anders meer. Ze zucht nogmaals en gooit wat nog resteert van haar sigaret in de daarvoor bestemde bloempot. “Zo eerst mijn tanden poetsen” zegt ze tegen zichzelf en ze stapt weer naar binnen.

Ik kan mij niet zo goed herinneren wanneer dit ongeveer gebeurde, het is al een aantal jaar geleden. Vlak voor de Nintendo GameCube uit zou komen. Ik heb bijzondere herinneringen aan die console en biet zozeer vanwege de spelletjes die ik er op speelde maar vooral toch omdat het de eerste Nintendo was die ik helemaal zelf had gekocht. Voor het eerst kreeg ik ‘de nieuwe Nintendo’ niet meer van mijn vader. Die vond dat de tijd gekomen was dat ik dat soort dingen zelf eens ging kopen. Daarnaast was hij meer geïnteresseerd in de Playstation2, maar dat terzijde. Ik kreeg niet heel veel zakgeld. Niet dat ik mocht klagen of zo, maar toch. Het was bij lange na niet genoeg om zo’n hoeveelheid net ingevoerde Euro’s om de paarse kubus te kunnen betalen. En  dus zag ik nog maar één uitweg. Ik moest maar gaan werken om genoeg geld bij elkaar te krijgen. En zo belandde ik uiteindelijk bij de Edah. Een supermarktje in het dorp waar ik destijds woonde. Ik moet eerlijk bekennen dat ik het prima naar mijn zin heb gehad in die tijd bij de Edah. Ik zal niet beweren dat ik echt bevriend raakte met mijn collega’s maar we hadden best een leuk team. Op een dag, wanneer precies weet ik dus niet meer, het moet een zaterdag geweest zijn in ieder geval, want anders zou ik niet in mijn rode poloshirt in de rij bij de kassa hebben gestaan om mijn lunch af te rekenen. Terwijl ik daar stond, hoorde ik plots een hoop herrie uit de winkel komen. Geschreeuw was het. Ik rende meteen die kant op. Het geschreeuw kwam van de toetjes afdeling. Toen ik daar aankwam wist ik niet wat ik zag. Michael, de dorpsgek, stond met zijn enorme handen hard in te beuken op mijn 15-jarige collegaatje Ruud. Tot de dag van vandaag heb ik geen idee waarom dat was. Ruud zei Michael hem zomaar uit het niets begon te slaan en Michael heb ik sinds die dag nooit meer gesproken. Hoe dan ook, ik zag hoe die beer van een vent, met zijn enorme poten, de kleine tengere Michael ongekend hard op zijn hoofd aan het timmeren was. Vele omstanders stonden erbij en keken er naar. Ik moest Michael stoppen. Ik kon maar één ding bedenken. Ik rende op hem af en sprong vol tegen de rug van Michael. Het voelde alsof ik mezelf tegen een enorme betonnen muur had geworpen maar het had wel effect. Michael verloor zijn evenwicht en kukelde de koelingen in. Hij viel zo in het schap met toetjes en rolde op de grond. Aan weerszijden van zijn hoofd viel een bakje chocolade mousse kapot, wat twee grote bruine vlekken ten gevolg had. Het was doodstil. Niemand zei wat. Behalve één klein ventje, van een jaar of tien. “huhhuh” lachte hij, “Mickey Mousse!” De spanning was meteen gebroken en iedereen schoot in de lach. Ik was vorige week sinds tijden weer even terug in het dorp, op bezoek bij mijn vader, om met zijn Kinect te spelen. Toen ik over het dorpsplein liep zag ik Michael lopen. Hij was een stuk ouder geworden. Achter hem liepen drie kinderen, een jaar of twaalf, dertien moeten ze geweest zijn. Ze riepen Michael na. “Hé! Mickey Mousse!” Michael rende huilend naar huis.

(Voor deel I, klik hier)

Felicia staat met grote ogen van verbazing te kijken. Ze is zeker enkele seconden bezig voordat ze door heeft wat er gaande is. Tegenover haar staat een vrouw van middelbare leeftijd en een clichématig uiterlijk. De vrouw is woest. Ze vloekt, tiert, schelt en is helemaal over de rooie. De man uit de groene bus stapt uit. “Mevrouwtje, mevrouwtje, doe effe rustig zeg.” zegt hij. Jens en Ivo doen enkele stappen achteruit. Om duidelijk te maken dat zij ook geen idee hebben waarom Hannie plotseling aan het doorslaan is. “Waar bemoei jij je mee!? Smerige kakkerlak! Flikker een eind op! Dit is ons station, onze plek! Tyfuslijder!” Krijst Hannie tegen de man uit de bus. Felicia komt weer een beetje bij. Ze kijkt achter haar. De studentes staan met open mond te kijken naar wat er gaande is. Ze wendt haar blik weer op Hannie, die inmiddels slechts enkele centimeters van de man uit de bus is gaan staan. Hannie maakt zich zo groot als ze kan terwijl ze hysterisch krijst. “Sodeflikker op! Of ik trap die ranzige tyfuskop van je tot pulp! Ik schop je helemaal in mekaar! Teringhond!” De paar forenzen die voorbij komen lopen onderweg naar hun treinen kijken verbaast naar de situatie die gaande is. Hannie blijft schelden en tieren, ze lijkt steeds verder van slag te raken. De man uit de bus verliest eindelijk zijn geduld. “Doe effe normaal, halve gare graftak!” blaft hij haar toe, en hij duwt haar van zich af. Dat had hij beter niet kunnen doen. Direct duikt ze boven op hem. Ze slaat, krabt en schopt. De man kan niets anders dan zichzelf verdedigen en uit pure wanhoop geeft Hannie haar een stomp vol in het gezicht. Ook bij Felicia lijkt iets te knappen. Ook zij duikt nu vol op Hannie en begint in te slaan op haar hoofd. De rest van de studentes twijfelen even en in één soepele beweging mengen ook zij zich in de strijd. Hannie gaat naar de grond, de meisjes blijven op haar inschoppen, en schelden. Jens en Ivo kijken elkaar verbaast aan. Jens twijfelt. Zijn geweten begint aan hem te vreten als hij die vrouw van middelbare leeftijd daar zo ineengedoken ziet liggen terwijl er acht studentes en één man op haar staan in te schoppen. Hij doet een stap naar voren. “Jongens, kappen nou, zo is het genoeg.” stamelt hij. Niemand lijkt hem te horen. Hij herhaalt het eens, maar nu wat harder. “Kom, kappen nou!” zegt hij hardop. De man uit de bus lijkt hem te horen maar het gewenste resultaat heeft zijn ingrijpen niet. Voordat hij doorheeft wat er gebeurt schiet er een enorme pijnstoot vanuit zijn kaak door zijn hele hoofd. Jens zakt gelijk door zijn knieën. Bam! Een voet, duidelijk in een damesschoen, komt op zijn gezicht af. Een doffe klap en direct dat gevoel van warm stroop dat over zijn gezicht loopt. Zijn hoofd klapt op de straatstenen. Hij ziet een vage waas van een blauw-rode jas zich uit de voeten maken. Nog een schop in zijn gezicht. Nu ziet hij niets meer. Hij hoort alleen het hysterische gegil en gescheld van een aantal meisjes en één man. Nee. Twee mannen, of drie? Hij voelt de puntschoenen in zijn gezicht, op zijn rug, op zijn achterhoofd. Hij hoort de doffe klappen als ze hem raken. Maar hij hoort nu duidelijk drie mannenstemmen die tegen elkaar schreeuwen. Hij verstaat er niets van. Het schoppen wordt minder, stopt zelfs. Hij durft zijn ogen weer te openen. De man staat met zijn gezicht tegen de bus gedrukt door een enorme kerel in donkerblauwe kleren en met een fel geel hesje aan. Een politieagent. Hij rolt om. Daar ligt Hannie. Haar gezicht is op diverse plekken opengereten. Overal zit bloed. Ze beweegt niet. Naast haar ligt één van de studentes op de grond, met een andere politieagent op haar rug. De studente wordt geboeid. Er wordt nog steeds veel gekrijst. Ivo is nergens te zien. De ietwat minder zwartere hemel wordt opgelicht door rode en blauwe flitsende lichten. Jens doet zijn ogen weer dicht. Hij is moe. Hij wil slapen.

Enkele uren later wordt hij wakker. Hij ligt op zijn rug. Zijn hele lijf doet pijn. Langzaam tilt hij zijn arm op. Hij voelt zijn spieren protesteren. Voorzichtig voelt hij aan zijn gezicht. hij voelt een hoop bulten en op sommige plekken kleine harde draadjes die hij herkent als hechtingen. “Gaat het jongen?” klinkt het plots naast hem. Eventjes schrikt hij. Dan beseft hij waar hij is. Hij is thuis. In de woonkamer. Op de bank. “Die hufters hebben je goed te pakken gehad” zegt de stem nu. Hij herkent de stem als die van zijn vader. “Hannie?” is het enige dat Jens kan uitbrengen. “Die vrouw?” vraagt zijn vader. Jens knikt. “Die… die ligt in het ziekenhuis. Ze ligt in coma.” Jens bijt op zijn toch al pijnlijke lip. “En Ivo?” vraagt hij. “Die andere collega heeft weten te ontkomen” vertelt zijn vader. Jens voelt het prikken van zijn tranen in zijn wonden. “Doe maar rustig aan Jens.” zegt zijn vader. “Je hebt geluk gehad, wat snijwonden en kneuzingen. Niets ernstigs.” “Ik wil morgen gewoon weer werken” zegt Jens. Zijn vader knikt.

De volgende dag staat Jens weer vroeg op het station. In plaats van twee collega’s zoals de dag ervoor staan er nu zeker zestig. Ivo is er niet bij. Hij wordt door zijn collega’s op de schouder geklopt, iedereen vraagt hoe het met hem gaat. De witte bus komt aanrijden. De neger kijkt verbaast naar de enorme hoeveelheid rood-blauwe jassen. “Waaroem zoe viel van joelie?” vraagt hij aan een grote brede man die vooraan staat. “Voorzorgsmaatregel” antwoord de grote brede man terwijl hij de stapeltjes kranten aanpakt. De eerste forenzen van de dag lopen met een grote boog om de grote groep krantenuitdelers heen. Jens snapt er weinig van. Een oudere vrouw, van misschien wel zeventig jaar, komt nu op hem af. “Heb je het al gehoord?” vraagt ze hem. “Hannie ligt nog steeds in coma.” Jens knikt. “Ik weet het.” Dan ontstaat er wat rumoer aan de andere kant van de groep. Het stemgeluid neemt plotseling enorm toe. Jens loopt erheen om te zien wat er gaande is. Dan ziet hij het. Met grote snelheid komen er vier… zes, nee, wel tien groene busjes aangereden. Allen met witte letters op de zijkant. Ze toeteren. Vanaf de andere kant klinkt plots geschreeuw. Jens schrikt, iedereen met een blauw-rode jas schrikt. Vanaf de andere kant van het station komen plots zeker vijftig opgefokte studenten, allen gehuld in groene jassen en gewapend met stokken, paraplu’s en andere prullaria. Er wordt gegild, geschreeuwd. Jens’ collega, die naast hem staat, trekt een ploertendoder uit zijn jas, de zeventig jarige vrouw tovert een enorm slagersmes tevoorschijn. De groene busjes stoppen met gierende banden op het plein, de deuren slaan open. Nog meer studenten, gehuld in groene jassen, duiken eruit en rennen op de blauw-rode groep af…

Plotseling klinkt het schelle gemekker van de elektrische wekker. Perrin schrikt zich een hoedje, hij vloekt er bij. “Godverdomme!” Voor het eerst sinds uren kijkt hij door het raam achter zijn beeldscherm. Hij ziet dat de dageraad reeds een tijdje bezig is en de eerste brugpiepers, met hun schooltas op de bagagedrager, zijn huis alweer passeren. Het is alweer bijna kwart over zeven. Perrin is doodmoe. Een uur of zes geleden had hij zichzelf nog zo goed voorgenomen om even tot de winterstop, als de transferperiode weer begint, te spelen, en dan écht, maar dan ook écht te gaan slapen. Hij kijkt naar de datum links boven in de hoek van zijn scherm. May 4th, 2017 19:30. “Fuck, fuck. fuck.” moppert hij in zichzelf. Hij kijkt nog eens naar de daadwerkelijke tijd, op de klok die aan de muur achter hem hangt. Het is 07:16. Over een kleine drie kwartier moet hij de deur uit, op weg naar zijn eigen colleges. Zijn blik verschuift weer naar het scherm. Zijn team staat op het punt de tweede returnwedstrijd in de halve finale van de Europa League te spelen. De heenwedstrijd, in en tegen Napoli, was het 1-1 geworden. Hij staat op het punt om zijn elftal naar de finale te loodsen. Negentig denkbeeldige minuten die in vijftien tot twintig echte minuten passeren. Er zou dan nog genoeg tijd over blijven om even te douchen voor hij de deur uit zou moeten. De cursor verschuift naar de hoek rechtsboven. Continue.

Op de hoogste top van de Konings Berg merkt niemand dat de lente is aangebroken. Het is er ijskoud. Zoals altijd. De sneeuw ligt metershoog en de wind is snijdend hard. Bovenop de Witte Berg staat een klein maar stevig gebouwd fort. Qua uiterlijk is er weinig bijzonders aan. Het heeft vier grote hoge muren met kantelen en op elke hoek een kleine toren. In het midden van het fort staat een hoge ronde toren van waaruit vele honderden kilometers ver gekeken kan worden in alle windrichtingen. Door de immer aanwezige pakken sneeuw die zich aan de buitenkant van het fort tegen de muren opstapelen heeft het fort de naam Het Witte Fort gekregen. Het Witte Fort is gevuld met mannen die gekleed zijn in de dikst mogelijke jassen en de grootste mutsen dragen van het warmste wol. Het houdt ze maar net in leven. Geen van hen zit er voor zijn plezier. Allen zijn ze hier gestationeerd. Drie winters lang zijn zij op elkaar aangewezen en zijn zij verantwoordelijk voor de veiligheid van de vallei waar de Koningin is gehuisvest.

Al generaties lang wordt het Witte Fort permanent bewoond. En gedurende die honderdvijftig jaren was het fort de doorslaggevende factor geweest wanneer de vallei in gevaar was. Vanuit het fort overzagen de mannen vrijwel alles tot in de verre omgeving. Elk leger dat richting de vallei marcheerde werd gezien. Dan werd het alarm geslagen en het aanstormende leger steevast onderschept op een strategisch handige plaats. De vallei is waarschijnlijk de veiligste plek denkbaar in deze wereld, op dit moment.

“Ahh, nee hè, niet de gieter ook al!” Deborah staat met haar handen in de zij midden in de woonkamer. Er staan een paar meubelen maar verder is de kamer vrijwel geheel leeg. Op één enorme stapel verhuisdozen na. Udo staat erbij en is de dozen systematisch aan het doorzoeken. “Ja maar bonbonnetje, ik wil gewoon graag alles op tijd klaar hebben… voor morgen.” “En hoe geef ik de planten dan water? Verhuizen is heel stressvol, ook voor planten! Ze hebben water nodig voor we ze inladen, om rustig te worden! Anders gaan ze dood!” snauwt Deborah. Udo laat de dozen even voor wat ze zijn en loopt met kleine pasjes naar zijn zwangere vrouw. “Luister bonbonnetje, ik geef de plantjes strakjes water. Met de waterkoker. Kom eens hier.” Hij trekt haar tegen zich aan en knuffelt haar. “Alles komt goed, bonbonnetje. Ik beloof het, alles komt goed.” “Ik mag het wel hopen ja, ik heb helemaal geen zin in gezeur en gedoe.” Deborah is er nog niet gerust op. “Kom, bonbonnetje, ga jij maar lekker zitten, maak je niet te druk. Denk ook aan Tristan.” Hij aait over haar buik. Deborah zucht, trekt zich los uit de armen van Udo en gaat al zuchtend in de grote stoel zitten. Ze slaat haar armen over elkaar heen. “Ik doe helemaal niets meer.” zegt ze wat vinnig. “Helemaal goed bonbonnetje. Blijf maar lekker zitten. Ik moet zo mijn zus ophalen van het station. Wil je nog thee?” “Nee. Ik wil dat deze week voorbij is!” “Nog twee daagjes bonbon, we zijn er bijna.” Udo pakt zijn jas van de bank en trekt deze aan. “Ik ben zo terug. Ga anders even op bed liggen…” “Nee.” bijt Deborah hem toe. Udo haalt zijn schouders op, en loopt de kamer uit. Enkele seconden later valt de voordeur weer in zijn slot en Deborah springt meteen op. Ze loopt naar de stapel dozen en trekt de eerste de beste open. Ze trekt er wat dingen uit terwijl ze de doos doorzoekt. Ze kan niet vinden wat ze zoekt en gaat door met de volgende.

Dronken zit Jaap op de bank. Hij heeft een lange en zware werkdag gehad en toen hij thuis kwam was er een logee. Hij schoof nog even aan en besloot nog wat mee te drinken. Maar, hij is ook geen twintig meer en had vroeg en weinig gegeten. Voor hij het wist was hij enigszins aangeschoten. “Shit. Ik moet nog een verhaaltje typen!” had hij nog eventjes geroepen. Maar er was helaas geen lampje gaan branden om dat direct te doen. Hij nam nog enkele shotjes Wodka. En toen ging het spreekwoordelijke licht uit. Het is bijna half 3 en hij moest de volgende ochtend weer op tijd opstaan. Zijn vrouw herinnerde hem eraan dat hij nog moest typen. “Ja maar…” had hij geroepen. Maar hij wist dat hij de belofte aan zichzelf moest nakomen. En zodoende ging hij er toch nog voor zitten om een verhaaltje te schrijven. “Ik schrijf wel een hele korte…” brabbelde hij.

Ik weet dat er van mij nu eigenlijk verwacht wordt dat ik nu de onheilspellende anticlimax ga typen die u allen gaat vertellen hoe de extreem spannende voorafgaande episode over de koude oorlog der ochtendkranten afloopt. Want die mensen, die staan dus echt belachelijk vroeg op, en dit worden meer komma’s dan dat ik oorspronkelijk voor ogen had, maar hoe het gaat aflopen, dat kan ik u dus echt pas overmorgen vertellen. Simpelweg omdat ik het op dit moment eventjes niet kan opbrengen om echt heel hard mijn best te doen om de minimale vijf regels te bewerkstelligen. Ik vraag bij deze uw geduld om nog eventjes te wachten tot morgenavond, eer ik de spannende ontknoping bekend ga maken. Jaja. Met alle respect, ik kan me eventjes niet meer focussen en zodoende ga nu slapen.

 

 

Ivo, Jens en Hannie staan voor het station te wachten. Het is nog donker en zelfs de lantarenpalen verlichten het plein nog nauwelijks. Een enkele forens slentert het station reeds binnen. Er hangt een voorzichtige vorst in de vroege ochtendlucht die extreem koud aanvoelt door de stevige wind. Vooral de amper achttien jaar oude Ivo is helemaal ingepakt. Maar nog steeds staat hij te klappertanden. Jens en Jannie hebben het er wat minder moeilijk mee en lijken zowaar al enigszins wakker. Want ze zijn al opgewekt aan het discussiëren over allerlei huis, tuin en keuken onderwerpen. Hannie, een vrouw die vermoedelijk de vijftig ondertussen wel gepasseerd moet zijn, is daar erg goed in; praten met jongeren. Haar devies is altijd geweest om de jonkies, zoals Jens en Ivo, goed op hun gemak te stellen. Dan zouden ze aanzienlijk minder moeite hebben met het aanspreken van wildvreemden die én haast, én een ochtendhumeur hebben. Hannie vertelde nieuwelingen, zoals Jens vandaag, altijd dat dit misschien wel het moeilijkste baantje is dat ze ooit heeft gehad. “Het gaat echt om het lezen van mensen, dat je in een fractie van een seconde al ziet, dit gaat geen zin hebben, die sla ik over.” Ivo kent de verhalen van Hannie al ruimschoots, hij doet dit werk al een maand of zeven. Hij heeft er een bloedhekel aan maar hij moet toch iets doen om aan zijn geld te komen. Sommigen vullen vakken, anderen wassen af, hij deelt gratis krantjes uit op het station. Hij heeft een enorme behoefte aan een sigaret maar in zijn rood-blauwe werkjas mag hij niet roken. Dat zou slecht zijn voor het imago van de krant. In de verte ziet hij het witte busje aan komen rijden. Het busje dat elke dag de stapels kranten komt brengen. Ivo heeft soms medelijden met Hannie die de krantjes, dag in, dag uit, aan de reizigers uitdeelt terwijl ze hen een prettige dag wenst. Hijzelf doet dit maar één keer per week. Liefst op donderdag, zoals vandaag. Het eerste half uur is altijd het ergste. Dan komen er nog nauwelijks mensen langs. Dan verveelt hij zich vooral. Vandaag is dat niet anders. Het busje stopt voor hen. Een donkere man stapt uit, opent de schuifdeur en trekt een aantal pakken kranten uit de laadbak die hij achteloos voor Hannie’s voeten op de grond gooit. Hannie wenst de man nog opgewekt en beleefd een hele goedemorgen, maar zoals elke dag bromt de neger wat onverstaanbaars en rijdt dan weer weg in zijn witte busje. Op naar het volgende uitdeelpunt.
Hannie is nog bezig met het open knippen van de eerste stapel kranten als er weer een busje voor hen stopt. Een groene deze keer. Er wordt een raampje opgedraaid en de zware walm van nicotine maakt Ivo eventjes helemaal warm van binnen. “Hé, hebben jullie mijn collega’s toevallig gezien?” zegt de bestuurder van het busje net iets te hard. Hannie kijkt de man aan. “Waar ben jij van dan?” “Ja euh, van Metro natuurlijk” en met zijn duim wijst hij naar de enorme witte letters die op de zijkant van het busje staan. Hannie’s gezicht verschiet van kleur. “Die zijn hier niet”, bijt ze de man toe, “die staan hier niet meer”. Hannie is plots getransformeerd in een felle tante. De man kijkt op een briefje dat hij op zijn dashboard heeft liggen. “Nee, ik moet vanaf vandaag toch echt weer hier zijn, kijk maar.” Hij laat Hannie het briefje zien en ze trekt wit weg. Voordat ze wat zeggen kan staan er een achttal studentes naast haar. Eén van hen heeft een clipboard in haar handen en een grote zwarte sporttas om haar nek. “Hoi, ik ben Felicia” zegt ze tegen de man in het groene busje en geeft hem een hand door het open raampje heen. “Gooi ze er hier maar uit hoor, dit is een mooie plek.” De man stapt uit en begint ook stapeltjes kranten uit zijn wagen te laden. “Rot jij eens effe een tyfuseind op, smerige teef!” schreeuwt Hannie plotsklaps over het stille stationsplein. “Ga effe lekker een teringeind verderop staan, met je grafkrant!” Felicia kijkt Hannie met grote verontwaardigde ogen aan. “Pardon?”

WORDT VERVOLGD

 

Mijn tante Els uit Ommen is een typisch alleenstaande 50+’er. Hoewel dat alleenstaand zijn niet echt haar schuld is. Een jaar of 25 geleden is haar man overleden. Ik was toen nog niet geboren dus ik heb werkelijk geen idee waaraan. Ik weet alleen dat ze vroeger getrouwd was en dat Bennie, haar man, al een tijdje dood is. Tante Els heeft het daar altijd moeilijk mee gehad, wat op zich best logisch is. Veel gewoonten die ze met hem had heeft ze in stand gehouden. Nog elk jaar gaat ze met de caravan naar de Algarve bijvoorbeeld. Daar heeft ze zelfs speciaal haar rijbewijs voor gehaald nadat Bennie overleden was. Tenminste, dat zegt mijn vader. Mijn vader maakt zich soms zorgen om haar, daar komt hij heel openlijk voor uit. Elk jaar weer probeert hij haar zover te krijgen dat ze bij ons thuis oud en nieuw komt vieren, maar ieder jaar weer bedankt ze voor de eer. Ze blijft liever thuis, zoals ze met Bennie ook altijd deed. En dan gaat ze om kwart over 12 even langs bij alle buren. Tante Els en Bennie hebben geen kinderen ter wereld gebracht. Dat maakt haar stoïcijnse volhouden misschien nog wel tragischer. Ze doet werkelijk alles alleen. Tot haar belastingaangifte aan toe. Laatst kwam ik haar tegen op de markt, waar ik altijd stroopwafels koop. Ze zag mij niet. Ik stond van een afstandje te kijken hoe ze bij een kraampje een nieuwe deurmat aan het uitzoeken was. Ze kon maar geen keuze maken. Bij elke twijfel keek ze eventjes naar de wolken, alsof Bennie haar vanuit de hemel advies gaf over structuur, gemak, duurzaamheid en weet ik veel wat. Het was triest, haar zo te zien. Met haar korte roodgeverfde krullen. Eventjes overwoog ik haar gedag te zeggen en haar te trakteren op een kop warme chocomel. Maar ik deed het niet, bang een flater te slaan bij mijn kameraden. Ik heb haar diezelfde avond nog wel een Sms’je gestuurd, of ze nog een mooie nieuwe mat gevonden had. Ze stuurde terug dat ze besloten had toch de oude maar te laten liggen. Met een plaatje van een Franse Bulldog er op. Die vond Bennie immers altijd zo mooi.