Het is nog donker buiten als vanuit de barak een hels lawaai klinkt. Het is de Wekpiet, die voor het eerst sinds drie maanden weer doet waar hij goed in is. De andere Pieten wekken. Hij staat midden tussen de stapelbedden, op zijn trommel te slaan en op zijn toeter te blazen. enkele zwarte pieten springen enthousiast uit hun bed, maar de meesten hebben last van een ochtendhumeur en zijn dus logischerwijs wat minder vrolijk. Na enkele minuten komt Sint Nicolaas de ruimte binnenstappen. Hij is aanzienlijk minder kwiek dan wanneer hij in Nederland is. Hij is nu meer een oude man die toch echt naar zijn einde toe lijkt te gaan. Één van de Pieten zet snel een kruk achter zijn leidinggevende neer waarvan de sint direct gebruik maakt door te gaan zitten. Hij haalt een megafoon uit zijn joggingtabbe en begint zijn jaarlijkse ‘begin-van-het-seizoen-moraal-oppepper-speech’. Zoals gebruikelijk spreekt hij eerst een dankwoord uit voor de getoonde inzet, neemt afscheid van de Pieten die iets anders zijn gaan doen en verwelkomt de nieuwelingen. De pieten luisteren aandachtig, hoewel de helft van hen nog verre van wakker is. De sint staat op, zwaait wat en verlaat de ruimte weer. De Pieten kleden zich aan en lopen in kleine groepjes naar de bussen die ze naar de fabriek zal brengen.

Bert legt zijn hand op de harde tepels van het oppasmeisje. Ze moet een jaar of 18 zijn. Hij speelt er wat mee en weet dat hij nu eigenlijk geil zou moeten worden. Zijn pik wordt wel iets harder maar bereikt bij lange na niet de legendarische grootte waar Bert beroemd mee is geworden in Amsterdam. Zijn gedachten dwalen af naar zijn werk, naar zijn eigen reclamebureau. De zaken gaan er niet zo goed. De hoeveelheid nieuwe cliënten valt tegen en als het zo doorgaat moet hij Mies, dat lekkere blonde mokkel dat zo goed kan neuken, toch echt ontslaan. Bert schrikt. Hij trekt zijn hand terug van de pronte tienerborsten. Het meisje kijkt teleurgesteld. Ook zij is op de hoogte van Bert’s reputatie. Bert opent het portier van zijn Porsche en stapt uit. Hij steekt een Marlboro op en vraagt zichzelf hardop af wat hij in vredesnaam aan het doen is. Hij moet niet langer zijn zakelijke verantwoordelijkheden ontlopen door zich een weg in de rondte te neuken, om maar te vergeten dat zijn bedrijfje niet meer zo’n succesverhaal is als enkele jaren geleden. Al die seks is maar een uitvlucht, bedenkt hij zich. Deze realisering werkt verhelderend voor Bert en hij krijgt direct een geniaal idee voor die potentieel nieuwe account. Bert is uitzinnig van vreugde en maakt een klein sprongetje in de lucht. Snel stapt hij in, neukt de oppas en rijdt tevreden weer naar huis.

Voorzichtig legt Huey zijn hand op de deurklink. Het metaal is ijskoud, zoals zijn achterkleinzoon hem had voorspeld bij zijn vertrek. Hij zet wat kracht en voelt de deur al snel in beweging komen. Tergend langzaam gaat de deur open en een eerste straal daglicht zoekt zich een weg door de net ontstane kier en werpt een streep van wit licht op de metalen vloer. Huey haalt eens diep adem, kijkt op de monitor naast de deur waar hij tot zijn tevredenheid een groen lampje et knipperen. Dan duwt hij in één klap de deur verder open. Hij wordt overvallen door het felle licht van buiten en in een reflex houdt hij zijn hand voor zijn ogen om het licht af te buigen. Hij opent zijn linkeroog en constateert dat zijn oog nu al gewend is aan de enorme hoeveelheid licht die hem vanaf buiten besprongen was. Wat hij ziet overtreft al zijn verwachtingen. Hij staat bovenop een grote heuvel aan de rand van een immense grasvlakte. Op enkele tientallen meters ziet hij waar hij gedurende zijn gehele reis van droomde. Een echte, levende Stegosaurus. Huey gilt van opwinding. Het werkt echt. Deze tijdmachine. Een week geleden zat hij in zijn kleine volkstuintje de dieven van zijn tomatenplanten te knippen toen hij een vreemd zuigend en pulsend geluid achter zich hoorde. Hij keek maar zag niets en ging er vanuit dat hij het zich verbeeld had.  Hij ging weer verder met zijn tuinschaartje en hoorde het geluid weer. Nu zag hij wel wat. Een groot blauw gevaarte stond plotseling achter hem. De deur ging open en er kwam een jonge man uit die zich voorstelde als Huey’s achterkleinzoon en iets uiterst vreemds zei. “Het is me een enorme eer om de uitvinder van het tijdreizen te mogen ontmoeten” had de jongeman gezegd. Heuy had hem in eerste instantie alleen maar verbaast aan kunnen kijken. De jongen legde uit dat hij uit de toekomst kwam, uit 2082 en dat hij Huey’s geheime boodschap gevonden had en zich aan zijn wensen had geconformeerd. De jongen was hier naartoe gereisd om Huey de eerste werkende tijdmachine te schenken opdat hij als de uitvinder bestempelt zou worden zodat zijn gehele familie voortaan in weelde zou kunnen leven. Huey had achter zijn oor gekrabd. “Laat zien dan” daagde hij zijn achterkleinzoon uit. En nu, nu staat hij hier, met zijn achterkleinzoon terwijl hij niet eens kinderen heeft. Oog in oog met zijn favoriete dier die al bijna 66 miljoen jaar is uitgestorven. Huey’s toekomst is voorgoed veranderd. Huey gaat de geschiedenisboeken in als de eerste tijdreiziger.

Al enkele dagen is de hemel verduisterd door donkere wolken. Talloze bliksemschichten zetten de Aarde vrijwel elke minuut in een fel licht. Het oorverdovende geluid van de donder overstemd het geweld van de stormen die over het land trekken. Iris en Hidde zitten met de armen om elkaar in de duinen van Noordwijk. Ze kijken uit over de woeste Noordzee. Iris kruipt wurmt zich meer in de oksel van haar echtgenoot. “Ik ben bang” fluistert ze hem toe. Hidde aait over haar lange bruine haren en stelt haar gerust. “Rustig maar. Geniet nog even van het moment.” Onderaan de duin loopt een klein jochie van pakweg vier jaar oud achter een in de rondte waaiende plastic zak aan. Hij giert van het lachen en heeft duidelijk geen enkel benul van het lot dat het te wachten staat. Hidde en Iris kijken naar hun zoon en genieten van zijn onwetendheid, zijn onschuld. Een kwartier gaat voorbij. Een zwerm meeuwen stijgt plotseling op vanachter een duin iets verderop. Ze krijsen panisch. Iris en Hidde kijken elkaar aan. De paniek is in Iris’ ogen te lezen. Hidde roept Jurjus, zijn zoon die direct naar zijn ouders komt rennen en hen opgewekt in de armen valt. De aarde onder begint lichtelijk te trillen onder hun voeten en nu begint ook Jurjus te merken dat er iets niet helemaal klopt. Hij duwt zijn kleine lijfje tussen dat van zijn ouders in om bescherming te zoeken. De trillingen houden eventjes aan en worden dan in rap tempo erger. Van onder hun voeten horen ze een een enorm lawaai.  Overal om hen heen diepe scheuren ontstaan in het aardoppervlak. Alles  in de nabijheid wordt met een immense kracht de aarde ingezogen. Het jonge gezin kruipt zo dicht als ze kunnen bij elkaar. De zuigende wind probeert ze mee te voeren richting de kloven die groter en groter worden. Jurjus schreeuwt het uit van angst. Iris kijkt haar man wanhopig aan. Hij probeert iets te zeggen maar komt niet boven het lawaai uit. Hij knipoogt veelbetekenend. De randen van de scheuren vallen naar binnen. De aarde wordt van binnenuit opgevreten door zichzelf. Iris voelt de vingers van haar man zich hard vastgrijpen in haar bovenarm als het laatste stukje grond onder hun voeten de Aarde in wordt gezogen en hen de eeuwige duisternis mee intrekt.

Het verhaaltje van vandaag is een stukje Fan Fiction voor mijn digitale vriend en avonturier, Zoutvarken.

Een wolk kauwtjes stijgt op van het asfalt als het harde gebrul van de motoren akelig dichtbij komt. De lucht scheurt snerpend in tweeën door de grote vleugels van de Boeing 767. Een doffe dreun van de achterwielen die de landingsbaan raken en het hysterische gekrijs van de remmen die hun uiterste best doen het toestel vaart te laten minderen. Achter één van de kleine raampjes zit een vrolijk roze gezichtje te genieten van al dit. De zwarte oogjes blinken van plezier. Het is Zoutvarken. Wereldreiziger en avonturier. Terug in Nederland na een hachelijk avontuur in de diepste jungle die Borneo te bieden heeft. Amper een uurtje later zit hij in de Starbucks aan een muffin te knabbelen. Zijn kleine mondje zit onder de kruimels maar Zoutvarken lijkt het niets te deren. Plots komt er een enorme bruin-grijzige kater bij Zoutvarken aan tafel zitten. Hij zet zijn grote kop koffie neer en kijkt Zoutvarken verwachtingsvol aan. “Pardon meneer, mag ik u wat vragen?” miauwt de kater. Zoutvarken knikt enthousiast want Zoutvarken vindt het altijd fantastisch om nieuwe vrienden te maken. “Komt u misschien toevallig net uit Borneo?” miauwt de kater vragend. Wederom knikt Zoutvarken enthousiast. “Dan vermoed ik dat deze van u is” en de kater legt een piepklein paspoortje vol met piepkleine stempeltje op tafel. Het is het paspoort van Zoutvarken! “Ik vermoed dat u hem bij het uitstappen hebt laten vallen” miauwt de kater. Dankbaar knikt Zoutvarken en gemoedelijk nuttigen de twee hun consumpties verder op.

Jort Peters heeft haast. Zijn vergadering liep gigantisch uit en hij moest daarna dat rapport echt nog afmaken, anders zou die potentiële nieuwe klant wel eens kunnen afhaken, iets wat het bedrijf echt niet kan hebben momenteel. Zeker een uur later dan gepland rende hij zijn kantoor uit, de parkeerplaats over en sprong in zijn auto. Normaliter is Jort een prima chauffeur maar vandaag rijdt hij vrij onbehoorlijk. Hij heeft nog een minuut of tien. Dan moet hij echt op het uitvaartcentrum zijn. Daarna gaat de kist dicht en zal hij zijn vader nooit meer zien. De files waren gelukkig meegevallen maar nu, op de provinciale éénbaansweg, zit hij vast achter een slok. Vloekend en tierend zit Jort achter het stuur en lijdzaam ziet hij hoe zijn TomTom de verwachte aankomsttijd maar later en later maakt. “Je mag hier godverdomme 80!” schreeuwt hij door de voorruit. Het heeft geen effect, de Fiat Panda voor hem kachelt rustig door met 60 kilometer per uur.

Josje heeft een enorme pechdag. Eigenlijk was ze vrij geweest maar omdat een collega naar een bruiloft moest ‘s avonds had ze toegestemd om hem die avond te vervangen. Overdag zou ze met haar vriendin de keuken van hun nieuwe huis gaan bouwen. Alles was mis gegaan. De kastjes hingen scheef en na de tweede poging kwamen ze naar beneden donderen. Boven op het peperdure marmeren aanrecht. Er zat een enorme barst in. Aan het eind van de middag was de keuken een grotere puinhoop dan toen ze begonnen. Josje vertrok keurig op tijd richting haar werk. Het zou een rustige avond zijn, er was maar één klus te doen. Maar Josje houdt niet van te laat komen. Toen ze de straat uitgereden was en haar oude autootje naar zijn vier wilde schakelen hoorde ze een enorm gerommel. Ze kon gas geven wat ze wilde, maar het had geen effect. Ze schakelde terug naar de drie en die pakte hij goddank wel. “Dan maar wat langzamer rijden…” mopperde ze, “kan er nog wel bij…” Ze is op een kwartiertje afstand van haar werk. Ze rijdt op de provinciale weg. Bertha, de receptiedame had al gebeld waar ze bleef. Josje hoefde zich niet te haasten, werd haar verteld. De zoon van meneer was er immers ook nog niet.

Roel sleept zijn met lood gevulde schoenen over het asfalt. Hij is koud en doorweekt. Zijn Deventer Boekenmarkt is uitgelopen op een ware deceptie. Het begon met de sneltrein, die station Emmen Zuid voorbijgereden was. De eerstvolgende trein reed niet en de trein daarna moest via een omleiding reiden. Veel te laat zette hij voet op de Brink. Hij moest zich gaan haasten vandaag. Er bleef geen tijd over om nog wat leuks voor zijn moeder uit te zoeken, zoals hij traditiegetrouw deed. Hij was bij het derde kraampje toen de wolken openscheurde en de regen met bakken tegelijk uit de hemel naar beneden kwam. Roel had zich niet uit het veld laten slaan en puur op karakter zwoegde hij zich een weg door de eindeloze bananendozen en kratten. De regen heeft ondertussen plaats gemaakt voor een stevig windje. Roel’s linnen tas is nog leeg. Hij heeft geen enkele regel op zijn ‘wish-list’ kunnen doorstrepen. En hij weet dondersgoed waarom. Hij was te laat geweest. Liefhebbers zoals hij zijn er als eerste, slaan hun slag, en de rest van de dag rommelen ze maar wat aan. Hij heeft zich voorgenomen om vanavond, als hij weer thuis is, een uitgebreide klacht te sturen naar de NS. Hij haalt nu al voldoening uit de boze woorden die hij zal gaan gebruiken. Hij schrikt een beetje als hij mensen van een kraampje al de koopwaar weer in ziet pakken. Snel kijkt hij op zijn horloge. Het is al 17:00 geweest. Het is echt, definitief klaar. Een verspild jaar. Dankzij de trein, dankzij het weer. Hij sloft nog wat over de IJsselkade terwijl hij zich neerlegt bij het feit dat hij nog minimaal een jaar lang naar dat ene gapende gat moet kijken. Die enorme en pijnlijke leegte tussen nummer 19 en nummer 21. De laatste die hij nog mist uit de reeks. Ja, en nummer 1, maar dan de 1e druk er van. Die zoekt hij ook nog. Maar dit is niet het jaar dat zijn verzamelwoede, die begon in 1978, ten einde zal komen. Hij heeft gefaald. Nogmaals kijkt hij op zijn horloge. Hij is in alle haast vanmorgen vergeten om op het gele bord te kijken voor de vertrektijden van de treinen. Had ie nu maar zo’n Smarttelefoon gehad, dan kon ie het zo, op straat, opzoeken. En terwijl hij zich afvraagt of het dan niet tijd wordt om toe te geven aan de digitale revolutie loopt hij frontaal tegen een vrouw aan die net wat dozen uit een kraampje in een bolderkar tilt. De vrouw laat een doos uit haar handen glippen, op het natte asfalt. “Kijk uit! Wegpiraat!” bromt ze hem toe. Roel verontschuldigt zich, en gaat direct door de knieën om de vrouw te helpen de boeken zo snel mogelijk van straat te halen. En dan ziet het het. In één klap. Het kleine geel-rode boekje. Marokkaanse Sprookjes 2. Nummer 20. Voor het het beseft zoent hij de vrouw. Vol op haar mond. Hij trekt direct zijn portemonnee en haalt er een briefje van €50 uit die hij in haar handen duwt. Hij springt overeind en huppelt gelukkig richting Talamini. Dat heeft hij wel verdiend na zo’n dag.

De wildste fantasieën maken zich van mij meester wanneer ik mij op straat begeef en ik opgedroogd bloed zie. Volgens mijn moeder is dat verre van gezond. Ikzelf zie het liever als het bewijs van een overschot aan fantasie en misschien wat onvrede met de hoeveelheid sensatie in het dagelijks leven. Ik hou van manga en anime en laten we eerlijk zijn, de dingen die daar doorgaans in gebeuren zijn redelijk bloederig te noemen. Mijn moeder denkt dat dit mijn wereldbeeld beïnvloed, dat ik hierdoor, in haar ogen, vreselijke dingen ‘normaal’ ga vinden. Zoals enorme bloedspetters op het fietspad langs het spoor. Ikzelf ga dan altijd uit van een steekpartij, waarbij de ene geheim agent door de andere op morbide wijze uit de weg geruimd wordt. Mijn moeder heeft liever dat ik er van uitga dat er iemand onwijs op zijn muil is gegaan. En voor de zekerheid even in de berm kijk of die persoon er niet toevallig nog ligt. Ik vind mijn wereldbeeld mooier. En onschuldiger. Alles is zoals ik het zien wil, zoals ik het me voorstel. De wereld past zich aan mij aan. Er sterven alleen slechteriken en de goeien winnen altijd. Zoals het hoort.

Jorrik en Inka zitten dicht tegen elkaar aan. Hij legt zijn arm om haar nek. “Ik heb het helemaal niet koud” zegt Inka. Jorrik glimlacht. “Ik ook niet” antwoord hij haar. Puur toevallig zuchten ze allebei op precies hetzelfde moment. Ze moeten er beiden om grinniken. Dan zwijgen ze en genieten ze van het uitzicht. Het is een heldere nacht, het uitzicht is fantastisch. “Dankjewel Jorrik.” zegt Inka na een tijdje, en ze legt haar hoofd op zijn schouder. Jorrik kan zijn drang tot het uit te schreeuwen van vreugde maar net onderdrukken, hij wil het moment niet verpesten. Na een minuut tilt Inka haar hoofd weer op. “We moeten zo terug, de rest zal wel denken…” Jorrik reageert niet en houdt zijn arm om Inka geslagen. “De Aarde is mooi hè?” vraagt hij retorisch. “Ja, vooral vanaf hier. Heel… bijzonder.” antwoord Inka. “Ik heb duizenden foto’s en simulaties gezien, ik had niet verwacht dat het me nog zo veel zou doen.” “Het is mijn tweede keer” zegt Inka. “Ik weet het.” Dan staat Inka op, “we moeten echt gaan. Als de commandant dit hoort, dan…” Met enige tegenzin staat Jorrik ook op. “Ik vind je leuk” stamelt hij. “Ik jou ook Jorrik, maar we zijn hier met een missie, niet voor ons plezier, we moeten onze verantwoordelijkheid nemen.” “Als we terug zijn, gaan we dan eens eten?” vraagt Jorrit triestig. “Dat beloof ik”. Zonder verder iets te zeggen lopen ze terug naar de basis, hun ruggen richting Aarde gekeerd.

“Onze dagen zijn geteld!” Zoiets gilde een man gisterochtend toen ik de bus in stapte. Ik keek nog achter me, om te zien wie dat riep en waarom, maar ik zag slechts twee meisjes die meer met hun telefoons bezig waren dan met hun omgeving. Ik ging zitten. Zo dicht mogelijk bij de deur, waar ik altijd zit als ik met de bus reis. De mensen om mij heen leken niets gehoord te hebben, die deden wat medepassagiers altijd doen. Duf naar buiten kijken of onderling wat mompelen. Ik kan het maar geen plekje geven, ik wist wat ik gehoord had. Diezelfde avond stond ik op het dakterras te roken, terugdenkende aan de schreeuw die ik die ochtend hoorde. Het had me de hele dag bezig gehouden en ik had me niet op mijn werk kunnen concentreren. Mijn baas had er aan het einde van de dag nog iets over gezegd, dat ik het weekend maar rustig aan moest doen, dat ik er vermoeid uit zag. Ik drukte mijn sigaret uit in de asbak en hief mijn blik ten hemel. Toen zag ik het. Een licht. Een straal van helder wit/blauw licht scheen vanuit de hemel op mijn hoofd. Toen ik in het licht keek zag ik alles. De geboorte van de Goden, het ontstaan van het leven, flitsen van de grote Hemelse oorlog die bijna het einde van alles betekend had. Ik zag hoe de uitverkorene de dreigingen overwon, hoe het kwaad verdreven werd en hoe de Goden zich opofferden opdat de wereld nooit meer in gevaar zou hoeven zijn. En toen hoorde ik die stem weer, diezelfde stem die ik bij de bushalte had gehoord. Hij waarschuwde me. Het kwaad was aan het ontwaken en deze keer zouden er geen Goden zijn om de wereld bij te staan. Alles zal verdwijnen, alles zal vergaan.